Drie routes
Hieronder staat per route beschreven welk type aanbod, opdrachten of begeleiding wordt aanbevolen.

  

Intensiverende routeBasisrouteVerrijkende route
1. Om welke leerlingen gaat het?Leerlingen die veel leerdoelen (nog) niet bereikt hebben.Leerlingen die veel maar nog niet alle leerdoelen gehaald hebben.

Leerlingen die de leerdoelen ruim gehaald hebben.

2. Welk aanbod krijgen de leerlingen?De basisstof minus dubbelingen in oefeningen uit de basisstof. Laat bij dubbelingen eventueel de leerling zelf kiezen welke oefening hij maakt (motivatie).
Voorkom dat het aanbod meer van hetzelfde is, waardoor leerlingen extra stof op dezelfde manier aangeboden krijgen waar zij juist moeite mee hebben. Wenselijker is het om inhouden op een andere manier aan te bieden, om op die manier de doelen te behalen.
Voorkom te veel grammaticaoefeningen zodat deze leerlingen ook toekomen aan creatief taalgebruik (van vloeiendheid naar accuraatheid)
De basisstof minus dubbelingen uit de basisroute. Bij dubbelingen in oefeningen heeft de leerling de keus om:
  • deze dubbelingen te maken;
  • verdiepende oefeningen uit de methode te maken (moeilijker)
  • verbredende oefeningen uit de methode te maken (uitbreiden);
  • oefeningen in nieuwe, pittigere contexten te maken, vanuit de verrijkende route (toepassen).
De basisstof minus dubbelingen uit de basisroute. In plaats van dubbelingen in oefeningen gaat de leerling aan de slag om:
  • verdiepende oefeningen uit de methode (moeilijker);
  • verbredende oefeningen uit de methode (uitbreiden);
  • oefeningen in nieuwe, pittigere contexten buiten de methode (toepassen).

De leerling formuleert eventueel zelf leerdoelen voor een vervolgtaak waarmee hij dieper ingaat op de taak.

3. Welk type opdrachten zijn geschikt?Nadruk ligt in eerste instantie op reproductieopdrachten en eenvoudige toepassingsopdrachten.
Indien oefeningen uit de basisroute te moeilijk zijn kunnen ze in een nieuwe, meer betekenisvolle context worden aangeboden, die qua niveau beter aansluit bij de zwakkere leerling.
Voorbeeld: Zwakkere leerlingen krijgen tijdschriften aangeboden bedoeld voor mensen met Frans als tweede taal. Sterkere leerlingen kregen tijdschriften bedoeld voor Franse mensen.

Zorg voor zoveel mogelijk creatief taalgebruik, passend bij de belevingswereld van de leerling en voor onderwerpen die vertrouwd en alledaags zijn. (Zie voor Engels bijvoorbeeld opdracht 1C9 i.p.v.1C8 uit hoofdstuk 1: Me, myself and you' uit de methode: 'Stepping Stones 1kgt 4e editie Noordhoff.

Reproductieopdrachten en productieopdrachten aangeboden door de methode (hier ligt de nadruk, zowel in eenvoudige contexten als in nieuwe, pittiger contexten en toepassen in nieuwe, pittige contexten binnen de methode (verbreden en verdiepen) en buiten de methode.

Zorg voor zoveel mogelijk creatief taalgebruik, passend bij de belevingswereld van de leerling en voor onderwerpen die vertrouwd en alledaags zijn. (Idem opmerking uit kolom intensiverende route)

(Vrij) produceren in contexten binnen en buiten de methode, toepassen in nieuwe, pittige contexten binnen de methode (verbreden en verdiepen) en buiten de methode (hier ligt de nadruk).

Zorg voor zoveel mogelijk creatief taalgebruik passend bij de belevingswereld van de leerling en voor onderwerpen die vertrouwd en alledaags zijn.

Laat leerlingen aan vervolgopdrachten werken waarmee ze op een hoger niveau aan de doelen en inhouden werken. Zie het voorbeeld voor Frans in de linkerkolom, maar denk ook aan opdrachten die zich afspelen op een ander niveau in de taxonomie van Bloom.

4. Waar vindt de docent deze opdrachten in regulier lesmateriaal?De opdrachten in de nabijheid van een theorieblokje of uitleg, meestal opdracht 1, 2 en 3.De opdrachten in de nabijheid van een theorieblokje of uitleg, meestal opdracht 1, 2 en 3 maar ook opdracht 4 en 5 waarin vaak een nieuwe context wordt aangeboden.De opdrachten in de nabijheid van een theorieblokje of uitleg, meestal opdracht 1, 2 en 3 en daarnaast opdracht 4 en 5 (nieuwe contexten), en eindopdrachten waarin vaardigheden geïntegreerd worden, en de situatie complexer en vrijer is.
5. Wat is de rol van de docent?Intensieve ondersteuning, in de vorm van extra instructie en/of concreet materiaalgebruik om leerstof uit te leggen.Ondersteuning bij het maken van opdrachten. Soms zullen leerlingen aanschuiven bij de instructie aan leerlingen uit de intensiverende route. Soms zullen leerlingen eerst zelfstandig aan de slag moeten en krijgen pas instructie nadat de docent leerlingen uit de intensiverende route heeft geholpen.
Om te voorkomen dat leerlingen vastlopen, kunnen leerlingen ook elkaar helpen.
De leerling krijgt vaker dan leerlingen uit de intensiverende en basisroute te maken met uitgestelde aandacht. De leerling werkt veel zelfstandig en daarvoor is het noodzakelijk dat de leerling helder heeft wat zijn opdracht is en waar deze opdracht aan moet voldoen. De docent stelt daarom heldere, hoge maar haalbare eisen die bekend zijn bij de leerling.
Bij voorkeur voldoen de opdrachten aan de criteria voor verrijking.
6. Waar ligt het accentverschil in de terminologie van Bloom?Reproduceren
De eerste niveaus van de Taxonomie van Bloom zijn eenvoudiger. Voorkom echter dat deze leerlingen altijd reproductie- en af en toe inzichtvragen krijgen en nooit vragen van een moeilijker niveau (bijvoorbeeld toepassing)
ToepassenToepassen en inzicht en mogelijk de andere niveaus uit deze taxonomie.