Meten

Waarom meten?
Om leerlingen aan passende leerdoelen te laten werken, moet de docent een goed beeld hebben van (het niveau van) de leerling. Dit kan door continue informatie te verzamelen over de leerling en zijn leerresultaten. De docent weet zo waar de leerling staat ten opzichte van het gewenste niveau, waardoor hij het onderwijsaanbod zo goed mogelijk kan afstemmen op het niveau en de behoeften van de leerling.

Wanneer meten
De continue informatieverzameling kan op verschillende momenten (meetmomenten) plaatsvinden:

  • aan de start van de les(sen), periode of leerjaar;
  • tijdens de les(sen);
  • na afloop van de les(sen), periode of leerjaar.

Gebruik de informatie zoveel mogelijk als input voor het vervolgaanbod waar de leerling aan gaat werken. Zo wordt beoordeling onderdeel van een cyclisch proces van opbrengstgericht werken.

Wat meten
Bij het verzamelen van informatie zal niet alleen gekeken moeten worden naar de cognitieve ontwikkeling, maar ook naar de belangstelling, leerstijl en sociaal-emotionele ontwikkeling, waaronder de motivatie. Belangrijk is ook dat de docent feedback geeft aan de leerling; wat doet de leerling goed, wat moet hij nog verbeteren en hoe kan hij dat doen; welke strategieën moet of kan de leerling gebruiken. Door feedback op deze manier in het licht te stellen van de leerdoelen die bekend zijn bij leerlingen, kan feedback tot sterke prestatieverbeteringen leiden en meer gemotiveerde leerlingen.

Hoe meten?
Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de leerling en van wat hij kan en wat (nog) niet, is het raadzaam om op verschillende manieren gegevens te verzamelen, bijvoorbeeld door:

  1.  gebruik te maken van meetinstrumenten gericht op product en proces: instaptoetsen of –taken, opdrachten, (methode)toetsen, vragenlijsten. Zorg bij instaptoetsen of –taken dat deze een goede afspiegeling zijn van het hoofdstuk of leerstofonderdeel dat volgt. Leerstofonderdelen zijn bijvoorbeeld leesvaardigheid, spelling of fictie. De doelstellingen uit dat hoofdstuk moeten voldoende aan bod komen. In onderstaande tabel staan verschillende voorbeelden van meetinstrumenten die u kunt inzetten.
  2. het gedrag van leerlingen te observeren, al dan niet aan de hand van observatie- of beoordelingslijsten;
    Bekijk de voortgang in het maken van verwerkingsopdrachten
    Loop rond en kijk hoe leerlingen hun opdrachten maken in het werkboek of in hun schrift. Of kijk mee in het dashboard bij digitale oefenprogramma’s om te kijken hoe snel leerlingen een opdracht maken en hoeveel antwoorden ze goed/fout maken;
  3. te praten met de leerling, ouders of andere betrokkenen (denk aan: mentor, zorgcoördinator);
  4. Leerlingen zichzelf te laten beoordelen, bijvoorbeeld met behulp van de instrumenten 7 of 8 uit onderstaande tabel. Leerlingen ontwikkelen zodoende inzicht in de eigen ontwikkeling, kwaliteiten, motieven en interesses. Denkt u dat leerlingen hun eigen prestaties onvoldoende kunnen inschatten? Vergelijk uw eigen beoordeling met die van de leerling. Doe dit op basis van de SMART-geformuleerde leerdoelen. De verschillen in beoordeling vormen de basis voor het gesprek.

Bewustwording en feedback
Maatwerk verliest aan kracht als de leerling zich niet bewust is van een aantal zaken die belangrijk zijn voor het vak en als niet met regelmaat aan hem/haar feedback wordt gegeven.
Geef op basis van de verzamelde gegevens feedback aan de leerling, zodat hij weet wat goed gaat, wat (nog) niet en hoe hij aan verbeteringen kan werken. Houd daarbij rekening met het niveau waarop de feedback wordt gegeven. Feedback moet de kloof vullen tussen wat de leerling begrijpt en wat hij zou moeten begrijpen. Een effectieve manier van feedback geven is het stellen van vragen. Door vragen te stellen organiseert de leerling zijn kennis en weet de docent preciezer op welk denk- en kennisniveau hij moet aansluiten. Deze techniek blijkt effectiever dan het geven van extra uitleg.

 

1. Algemene tips om de beginsituatie vast te stellenDit instrument beschrijft enkele tips die u kunt gebruiken om een beeld te krijgen van wat de leerling al kan of weet.
2. Overdracht BasisonderwijsHet basisonderwijs beschikt vaak over talrijke gegevens die helpen om de beginsituatie van de leerling in te schatten.
3. MethodetoetsenElke methode voor moderne vreemde talen bevat toetsen. Taalvaardigheden, grammatica en woordenschat staan centraal.
4. Cito Volgsysteem voortgezet onderwijsMet Toets 0 tot en met 3 van het Cito Volgsysteem meet de docent de prestaties van de leerlingen op kernvaardigheden vanaf de brugklas tot en met de derde klas. Toets 0 wordt aan het begin van leerjaar 1 afgenomen. Voor het vak Engels worden twee onderdelen getoetst: leesvaardigheid en woordenschat.
5. MentorgegevensDe mentor kent de leerlingen van zijn mentorklas goed, vaak beter dan de collega’s. In een formulier kan een mentor of zorgcoördinator specifieke leerlinggegevens bijhouden, bijvoorbeeld waar de leerling hulp bij nodig heeft, of er sprake is van dyslexie of concentratieproblemen of andere bijzonderheden.
6. TaalportfolioHet Europees Taalportfolio is een Europees gevalideerd instrument. Hiermee kunnen alle ervaringen met het leren van talen gedocumenteerd worden.
7. Zelftest ERKZelftest voor leerlingen waarmee zij hun ERK-niveau kunnen bepalen voor Engels (Duits, Frans en/of Spaans)
8. ZelfevaluatieZelfevaluatie voor leerlingen waarmee zij hun ERK-niveau kunnen bepalen voor Engels (en verschillende andere talen)
9. GespreksformulierEen formulier waarin de docent het niveau van de leerling kan vastleggen per vaardigheid, op basis van een gesprek dat de docent met de leerling voert.
10. Gebruik van het gespreksformulier door een docentIn dit filmpje legt een docent uit hoe ze leerlingen met het ERK laat werken, ze laat zien hoe dit in de praktijk gaat en ze vertelt waarom ze het ERK vooral geschikt vindt voor haar vmbo-leerlingen.
11. Gebruik van het gespreksformulier door een leerlingIn dit filmpje vertelt een vmbo-leerling hoe hij met het ERK een inschatting maakt van wat hij al kan bij spreekvaardigheid Engels.
12. E-mailLeerlingen schrijven een e-mail naar de docent waarin zij bijvoorbeeld vertellen over hobby's, sport en wat ze op de basisschool geleerd hebben bij Engels. Zo wordt de beginsituatie voor schrijven in kaart gebracht.
13. The muddiest pointDit filmpje vertelt over een relatief eenvoudig en snel toe te passen vorm van beoordelen: ''the muddiest point''. Via deze vorm geven leerlingen de docent feedback over het meest onduidelijke punt van de les. De docent kan het onderwijs daar vervolgens op aanpassen.
14. TOA-toetsen EngelsU kunt taalvaardigheid Engels van uw leerlingen eenvoudig en efficiënt toetsen met de TOA. Er zijn toetsen op verschillende niveaus van het Europees Referentiekader (ERK/CEF), waarbij alle vaardigheden aan bod komen (lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren). Van vrijwel alle toetsen is er een versie met Nederlandse instructies en vragen én een versie met Engelse instructies en vragen.
15. RTTI-systematiekRTTI is een middel om vier te onderscheiden cognitieve niveaus van leren in kaart te brengen. RTTI maakt onderscheid in vier soorten opdrachten/toetsitems: reproductie (R), toepassen in een bekende situatie (T1), toepassen in een nieuwe situatie (T2), inzicht (I). Hierdoor kan het niveau van de leerling gemeten worden, zowel voor diagnose, keuzes in onderwijsaanbod als indeling van groepen.

U kunt het tabblad Meten uit de Exceltool gebruiken om de resultaten van leerlingen vast te leggen.